Beste allemaal. Bedankt voor de uitnodiging om hier vandaag een voordracht te mogen doen over onze verbondenheid met de stad.

Ik wil deze vandaag verkennen door te kijken naar hoe ons werk gestalte geeft aan zowel onszelf, wie we zijn, als de wereld waarin we leven. Een relatie die in flux is en ook historische gezien vele gedaantes heeft gekend en in de toekomst ook weer anders zal zijn dan vandaag.

Dat gezegd is het misschien goed om even iets over mezelf te vertellen, en hoe mijn werk mij definieert en hoe ik naar de wereld kijk. Ik noem me zelf futuroloog, iemand die de toekomst onderzoekt. Of soms ook Historisch-Futurist, om aan te geven dat ik niet zomaar wat verzin, maar dat ik probeer om cultuurhistorische zo’n 1000 jaar terug kijken naar sociale veranderingen en technologische transities en hoe deze onze cultuur hebben vormgegeven.

In mij werk probeer ik telkens weer uit te zoomen naar een langer nu en een grotere tijdsgewricht te beschouwen in een poging tot duiding te komen. Om te willen begrijpen in wat voor tijd we leven en waar we met z’n allen naar toe bewegen.

Daarnaast ben ik ook een maker, een ontwerper en oorspronkelijk architect. Een vak waarin esthetiek en het vormgeven van onze leefwereld of zelfs de gehele samenleving samenkomt.

Met andere worden ik voel me zowel onderzoeker als maker, en dit stoppen ik ook in mijn praktijk die niet enkel bestaat uit duiding maar ook in het doen van proposities: het maken van scenario’s over hoe de toekomst er mogelijkerwijs uit zou kunnen zien, en wat dat zou kunnen betekenen voor de keuzes die we vandaag te maken hebben.

Vandaag wil ik met jullie verkennen hoe onze relatie met werk aan het veranderen is
van het werkethos van het ‘professionalisme’ naar het werkethos van ‘meesterschap’, en wat dit zou kunnen beteken voor onze relatie met de stad en hoe we leren en werken.

Wat betekend het als we onze moderne relatie met onszelf en de stad inruilen voor een relatie waarin de waarden ambacht en vakmanschap centraal staan. Waarin we meesterschap zoeken in de relatie met onszelf, elkaar en de stad. Niet in de zin van overmeesteren, maar in de zin dat we vakkundigheid in onszelf en elkaar herkennen, en in hoe we onze wereld maken. Dat we in ons werk niet processen en protocollen boven product en uitkomsten hoeven te stellen. Dat we vertrouwen kunnen hebben in elkaars vakmanschap en het in onze leefwereld terugzien.

Met andere woorden, ik zou jullie willen meenemen naar de mogelijkheid van een Meesterlijke Stad.

Hoe deze Meesterlijke Stad eruit zou kunnen zien en hoe we deze transitie in werkethos zou kunnen bewerkstelligen vergt wat uitleg waar ik jullie graag in mee neem. Maar voordat we op reis gaan, wil ik wel even zeggen dat ik niet de waarheid in pacht heb, en niet aan toekomstvoorspellingen doe. Ik hoop vooral dat mijn verhaal een startpunt voor gesprek kan zijn.

Desondanks denk ik dat de mogelijkheid die ik zal schetsen geloofwaardig is en onze toekomst zou kunnen zijn als we dat willen. Of deze werkelijkheid wordt hangt van ons af. Van burgers die het handen en voeten geven, ambtenaren die er ruimte voor maken en ondernemers die het avontuur aandurven.

Goed, dat als inleiding. Ik wil mijn verhaal graag opdelen in een ongeveer drie hoofdstukjes.

  1. Ten eerste wil ik verkennen waarom het zo interessant is om onze relatie met werk onder een vergrootglas te leggen. En waarom onze leefomgeving een afspiegeling van ons werkethos is.
  2. Daarna wil ik even uitzoomen, om even op ons netvlies te krijgen waar onze ideeën over hoe en waarom we werken eigenlijk vandaan komen. En dat deze ooit anders waren dan vandaag, en ook weer anders kunnen worden in de toekomst.
  3. Tot slot wil ik een mogelijke toekomst verkennen. Hoe zou deze eruit kunnen zien, en wat hebben we daarvoor nodig? Wat betekend het om aan een Meesterlijke Stad te bouwen en om in een Meestrschapscultuur te leren, werken en leven?

Maar goed, laten we bij het begin beginnen. Waarom werk?

1.

Iedereen van ons werkt. Of we nu een baan hebben of niet. Kinderen opvoeden, muurtjes metselen, de boekhouding doen, projecten coördineren, contacten met familie onderhouden, naar olie boren of een stadswijk ontwerpen. Het is allemaal werk waarmee we de wereld opbouwen, herbouwen en ombouwen. Elke dag weer opnieuw. Want de wereld is nooit af en relaties hebben aandacht nodig en gebouwen moeten onderhouden worden. De wereld stop in zekere zin als we stoppen met haar te reproduceren.

Met ons werk maken we de wereld elk dag weer, onafhankelijk van of we nu aan grote of kleine zaken werken. We werken elke dag aan de wereld. Ook als we dwarsliggen en protesteren, of als we het werk wat we doen misschien niks aan vinden.

Kortom, wij met z’n allen maken de wereld waarin we leven. Maar het is de vraag hoe bewust we ons daarvan zijn. En of we ons eigenlijk wel echt thuis voelen in de wereld die we als mensheid bouwen. Want als je er even bij stil staat dan is er ook iets vreemds aan de hand.

Want het lijkt soms of de wereld om ons heen eerder het product is van allerlei abstracte en onmenselijke processen dan van liefdevolle aandacht en menselijkheid. Want waar komt het eten precies vandaan wat we opeten? Welke handen hebben het kledingstuk inklaar genaaid wat we aanhebben? Waar komen al je die meubels en apparaten eigenlijk vandaan?

Onze moderne omgeving is het resultaat van wereldwijde productieketens, industriële processen en ongekende bureaucratische coördinatie. Dit is enerzijds een wonder, en anderzijds behoorlijk vervreemdend.

Ons werk maakt dan misschien wel het huis waarin we wonen, maar voelen we ons wel thuis in dit huis? Is het met liefde, aandacht en vakmanschap gemaakt? Is het verbonden met de historie de plek en haar gemeenschap? Is het eigen, valt het wel echt samen met de plek?

Maar ook al werken en bouwen we op lokatie – en komen de huizen (nog) niet kant en klaar uit China. Ook lokaal heeft de moderniteit de realiteit veranderd.  Protocollen, procedures, cijfers en vergunningen reguleren een systeem werkelijkheid die vaak geen recht doet aan de complexiteit en rijkdom van de leefwereld. Een spanningsveld dat burger, ontwerpers en ambtenaren dagelijks moeten navigeren, en waar de systeemwereld vaak de leefwereld domineert.

Zou dit niet anders kunnen?

Kan de leefwereld niet het anker worden, en de papieren werkelijkheid volgend?

Laten we eerst even uitzoomen naar een wat langer nu.

2.

Je zou de tijd waar wij nu leven, de eerste helft van de 21ste eeuw, een tussentijd kunnen noemen. Een Liminale overgangsperiode, een grensgebied. Een periode waarin de oude systemen en instituties niet meer werken maar de nieuwe nog niet volwassen zijn. Waar bureaucratische instituties vastlopen en vertrouwen verliezen, en nieuwe digitale, coöperatieve of misschien zelfs wel kunstmatige intelligente instituties nog te experimenteel, niet volwassen zijn, of zelfs nog niet bestaan.

Of zoals de Italiaanse Marxist Antonio Gramsci en zo treffend schreef ‘de oude wereld is stervende, en de nieuwe wereld worstelt om geboren te worden: dit is de tijd voor monsters’.

En je hoeft het nieuws maar aan te zetten en je ziet de monsters:

De wereldorde is vloeibaar geworden, populistische leiders en politieke avonturiers grijpen naar de macht, de rechtstaat staat onder druk en aan allerlei instituties word getwijfeld en door het lage maatschappelijke vertrouwen en vastgelopen bureacratische processen slagen we er niet in allerlei urgente problemen op te lossen.

Maar deze verwarring en onzekerheid die we als samenleving moeten navigeren hoort, hoe ongemakkelijk en gevaarlijk het ook is, bij een Tussentijd. Maar tussen wat dan, en waarom nu?

In het Historische-Futurische model wat we bij Studio Monnik hebben ontwikkeld werken we met een drieluik van drie grote tijdvakken met bijbehorende cultuur-structuren. En ik moet erbij zeggen, dit is een Eurocentrisch model.

Het drieluik bestaat uit de Middeleeuwen, de Moderniteit en het aanstaande tijdvak wat wij liefkozend de Gewortelde Tijd hebben genoemd.  Drie cultuur-structuren die elkaar niet opeenvolgensvolledig vervangen maar eigenlijk over elkaar heen groeien, en zich als het ware opstapelen.

Kort door de bocht komen er in elke nieuwe cultuur-structuur twee grote verschuivingen samen. Een nieuw mens- en wereldbeeld en nieuwe informatietechnologie.

De cultuur-structuur die in onze tijd nog altijd dominant is, ook al is die tanende, is die van de moderniteit. Een cultuur die opkwam met de opkomst van de burgerlijke stadsculturen van de late middeneeuwen en in een stroomversnelling kwam toen halverwege de 15de eeuw een nieuwe

informatie technologie zijn intrede deed: de boekdrukpers.

De boekdrukpers zorgden in de opeenvolgende eeuwen voor dat kennis en ideeën zich veel sneller en op veel grotere schaal konden verspreiden en dat de Europese samenlevingen steeds geletterder werden. En dit leverde een radicaal andere soort samenleving op die veel grootschaliger kon opereren en veel meer complexiteit aankon dan de Middeleeuwse.

De Middeleeuwse samenleving werd immers voornamelijk gereguleerd door het gesproken woord. Je moest fysiek bij elkaar komen, persoonlijk banden en vertrouwen opbouwen. Bijna elke vorm van organisatie en communicatie was gebaseerd op persoonlijke loyaliteit en trouw.

In geletterde samenlevingen waarin de krant wordt gelezen, papiergeld bestaat, men brieven schrijft, accurate kaarten van de wereld heeft met gestandaardiseerde maten werkt kan opeens wereldwijde handelsnetwerken reguleren, aandelen beurzen optuigen, wetboeken schrijven en van alles en nog wat boekhoudingen bijhouden.

Om mee te kunnen doen in zo’n samenleving moesten er onderwijsinstituties gebouwd worden. Want als je niet kan lezen of schrijven dan kan je in de praktijk niet meekomen in moderne samenleving.

Met de opkomst van de moderniteit kwam ook een nieuwe organisatievorm en arbeidsethos op.

De Bureaucratie en het Professionalisme.  Deze werden mogelijk door de boekdrukkunst en een geletterde bevolking. Het woord bureaucratie zegt het al, het bureau als machtsstructuur. Waar documentatie, archieven, stempels, besluiten en boekhoudingen bepalen wat waar en werkelijk is.  Een papieren werkelijkheid die gemaakt én gehoorzaamd worden door Professionals.

Om jezelf professioneel te kunnen noemen moet je een bepaald arbeidsethos omarmen. Je moet rationeel en objectief zijn. Zodra je over de drempel van je werkgever stapt wordt je je formele functie en laat je je informele en subjectieve ik thuis. Je wordt een radertje in de grote organisatie-machine. Een soort menselijke-robot als je het wat zou chargeren. En wanneer duizenden mensen (die elkaar niet persoonlijk kennen) in zo’n organisatie werken en weer samenwerken met miljoenen vreemden in andere organisaties die zich allemaal professioneel gedragen, dan kan je woest complexe zaken op een enorme schaal uitvoeren. Opeens kan je multinationals bouwen, financieel instellingen besturen en wereldwijde productieketen coördineren.

Het professionalisme is dan ook het werkethos van de Homo Economicus. De objectieve en rationele mens die alleen gelooft in dat wat fysiek en meetbaar is. En wat met de rede en wiskunde herleidbaar is.

In reactie op dit Verlichte mensbeeld kwamen einde achttiende denkers op die kritisch waren waren op dit universalistische en rationalistische gedachtengoed. Er miste iets essentieels. Want hoewel de wetenschap, wiskunde en logica goed konden uitleggen hoe de materiële wereld werkte, had ze geen antwoorden op waarom. Waarom het werkte en waarom en hoe te leven.

Romantische dichters, denkers en kunstenaars kwamen tot de conclusie dat dit aan het individu is. Dat we zelf betekenis aan het leven moeten geven en dat hierin juist de subjectieve ervaring centraal staat, en niet een objectieve onthechte kijk op de werkelijkheid. Waar de Verlichting wellicht goede antwoorden had voor het in kaart brengen en beheersen van de buitenwereld, richte de Romantiek zich op de mysterieuze en ongrijpbare binnenwereld als bron van betekenis en waarachtigheid.

De Homo Romanticus wil het liefst samenvallen met zichzelf, de mensen om hem heen en de natuur. De Homo Romanticus wil dus graag thuis komen en zich thuis voelen in zichzelf, z’n lijf, z’n huis en z’n werk, maar bijvoorbeeld ook in hoe hij samenleeft met vrienden en familie, en idealiter ook met de natuur. De Homo Romanticus ziet zich zelf niet als los van de natuur maar als onderdeel.

De Homo Romanticus heeft een heel mystiek wereldbeeld. Wat wil zeggen dat hij zoekt naar een persoonlijk relatie en ervaring met het mysterie van het bestaan. In plaats van het via georganiseerde religies of wetenschap invulling te geven. In het zich verbinden met het universum, anderen en zichzelf zijn authenticiteit en eigenheid voorwaarde voor het maken van betekenisvolle verbindingen.

Vandaag krijg de Homo Romanticus vooral de ruimte in onze privé-levens en vrije tijd wanneer we zoeken naar betekenisvolle ervaringen en invullingen van ons bestaan, onze omgeving en identiteit. Maar ook de werkvloer zie je dat de Homo Romanticus steeds meer terug in het verlangen naar betekenisvol werk. Werk waar je in gelooft en volledig achter kan staan.

Waar het zaadje van de Homo Economicus geplant werd in de burgerlijk stadsculturen van handel en ondernemerschap en in een stroomversnelling kwam door de boekdrukpers. Zo ontsproot de Homo Romanticus vanuit de geletterde cultuur van romans en reflectie waarmee de binnenwereld kon worden verkend en kwam ze in een versnelling door de computer en het internet. Of zoals we wij het noemen, de introductie van het geanimeerde woord.

Het geanimeerde woord, is het woord dat zelf, zonder mensen, werk kan verzetten. Computercode en algoritmes kunnen in de computer zelfstandig werk verzetten zonder dat daar mensen aan te pas komen. De computer wekt taal, code, tot te leven. Het animeert haar. En taalmodellen zoals ChatGPT, zijn in weze de taal zelf die terug kan praten. En wellicht kunnen AI’s in ergens in een toekomst de robots in de bureaucratie worden. Wellicht kan de papierwinkel ooit zichzelf doen en daarmee ruimte creëren voor het arbeidsethos van de Homo Romanticus: Meesterschap

Even als side-note: Dit kunnen we uiteraardniet aan Silicon Valley overlaten. Om van het digitale domein een gezonde digitale openbaarheid te kunnen maken hebben we publieke werken nodig. Digitale  infrastructuur en beheer die burgers kan beschermeen worden tegen de datahonger van de markt, maar ook aan kan spreken op hun verantwoordelijkheden. Maar dit is een verhaal voor een andere keer.

Stel dat we dit als gemeenschap op weten te lossen, en van de digitale sfeer een betrouwbaar en gezond publiek domein kunnen maken. En stel dat we de mores van de Homo Economicus niet meer onze werk domineert. Hoe ziet een cultuur gebaseerd op Meesterschap er dan uit?

Wat Meesterschap is, is wellicht het makkelijkst uit te leggen als we het spiegelen met de werkcultuur die we zo goed kennen, het Professionalisme.

De cultuur van meesterschap vind je vandaag vooral op de plekken waar vakmensen dingen maken. Of dit nu gaat om het bouwen van software of het knippen van haar. Het spelen van muziek of het verzorgen van zieken. Op deze plekken vind je een cultuur die anders is dan de cultuur van het kantoor. Het is de cultuur van de werkplaats of het atelier, waar oefening en het slijpen van intuïtie cruciaal is. Waar het draait om muscle-memory en het leren-door-te-doen, en waar vakgenoten duidelijk ideeën hebben over kwaliteit en elkaar daar op aan kunnen spreken.

Voor de vakmens is het proces dienend aan de uitkomst. Het werk is gericht op het realiseren van een meesterlijk product. Richard Sennett legt in het boek de Ambachtsman uit dat de kern van de ambachtelijk ethiek is dat de beloning van het werk in het werk zelf ligt. De beroepseer van de bakker ligt in het feit dat je een fantastisch brood bakt. Dat is wat je beweegt en waarom je je werk wil verdiepen en ontwikkelen. Hoe je dat precies doet, of hoe je tot fantastisch brood komt is uiteraard belangrijk, maar staat niet vast. Sterker, het is juist iets dat continu in ontwikkeling moet zijn om je vak te kunnen verdiepen en beter te kunnen worden.

Hoe anders is de mores van het kantoor. Waar professionaliteit en zakelijkheid betekenen dat je volgens de regels opereert. Het proces juist doorloopt en het papierwerk op orde is. Waar het borgen van kwaliteit een checklist wordt van criteria die vooral in het proces geadresseerd moeten worden, maar die zelfden of niet naast de daadwerkelijk uitkomsten in de leefwereld gelegd worden.

Professionalisme vereist dat iets formeel klopt en juist is, iets wat je ook terug ziet in formele omgangsvormen en esthetiek. Denk aan de vergadering, het pak, de stropdas, etc. Maar ook het respecteren van de hiërarchie van functies en verantwoordelijkheden binnen een organisatie. Ambachtelijke cultuur wordt juist gekenmerkt door meer informele omgangsvormen en een hiërarchie die vooral is gebaseerd op verschil in kennis, kunde en ervaring in het vak. Respect komt met de beheersing van je vak en niet door een functie die je bekleedt.

Een ander verschil is de nadruk op objectiviteit vs. subjectiviteit. In een zakelijke context wordt vaak een beroep gedaan op objectiviteit. Iets moet meetbaar en verifieerbaar zijn en er kan niet zomaar op intuïtie en vermoedens geacteerd worden. Terwijl meesterschap juist vertrouwen in de subjectiviteit van de vakmens legt. Want jaren lange ervaring, diepe kennis van het vak en ambachtelijke intuïtie zijn vaak moeilijk in worden en objectieve termen te vatten of meetbaar te maken.  Maar, ze zijn cruciaal voor hoge kwaliteit en meesterlijke werk.

Dat gezegd is de werkelijkheid uiteraard complex en gelaagd. Door het uit elkaar te trekken van deze twee heb ik vooral even de verschillen in het werkethos van de professionalisme en meesterschap duidelijk proberen te maken. Maar ze lopen in de praktijk natuurlijk doorelkaar. Want uiteraard zit er ook vakmanschap in het managen van een team of het opstellen van een rapport. En eigentijds Meesterschap heeft meer nodig dan intuïtie, ook hier moet objectief gemeten worden om te tot goede producten te komen.

Zie het meer als twee werk-sentimenten die in ons dagelijkse werk vaak door elkaar heen lopen. Soms vullen ze elkaar aan, en soms zitten ze elkaar in de weg.

3.

Maar wat als het lukt om de digitale revolutie aan weten te wenden om het robotische kenniswerk van de professional over te nemen, en deze dienstbaar te maken aan de waarden van meesterschap.

Ik wil voorstellen om jullie even mee te nemen op reis naar een mogelijke toekomst. Naar een plek waar de Meesterschapcultuur al geland is, en de normaalste zaak van de wereld is.

Laten we op reis gaan naar de Meesterlijke Stad.

Ik wil jullie vragen even de ogen te sluiten.

En even rustig diep adem te halen.

Voel je lichaam, de grond onder je voeten, en de lucht in je longen.

Laten we op reis gaan naar een andere plek in de tijd.

Wellicht een parallelle tijdlijn, of misschien een toekomst verbonden aan de onze tijdlijn.

We dalen af door de wolken en wanneer we dichterbij komen ontwaren we een levendige stad vol werkplaatsen, gildes, coöperatieven en faculteiten van allerlei soorten en maten.

Circulaire bouwvakkersgilden, Animistische Massage Salons en microbische programmeurs en schimmel sommeliers.

Een stad bewoond door leerlingen, gezellen, meesters en grootmeesters. Een plek waar de grens tussen leren en werken is vervaagd, en waar het onderwijs niet meer volgens roosters en toetsen gebeurd.

Klaslokalen en leerjaren zijn hier niet. Iedereen heeft een uniek leerpad en is verbonden aan een ecosysteem van levenslange leerplatformen.

Een netwerk van virtuele en echte plekken waar men samenwerkt en leert in werkplaatsen met AI vakdocenten en leermaatjes en uiteraard met echte mensen ter plaatse of op afstand.

Iedereen groeit hier op met deze intelligente leerplatformen dat eenieder helpt om een uniek leerpad uit te stippelen en de plekken, leraren en medeleerlingen te vinden om samen mee op te trekken voor delen van de leer- en werkreis.

Uiteindelijk bewandelt iedereen in z’n eigen tempo het pad van leerling, naar gezel en uiteindelijk een meesterschaptitel als je dat ambieert.

In deze wereld bestaat het onderscheidt tussen hoog en laag opgeleid niet meer als een status verschil tussen theoretische en praktische vaardigheden.

Elk talent en elke intelligentievorm biedt perspectief op eindeloze verdieping en ontwikkeling.

In deze wereld zijn er vier algemene meesterschapstitels.

Naast de voor jullie bekende Masters of Science en Arts, kent de Meesterlijke Stad ook de Master of Crafts voor zij met een grote manuele en tactiele intelligentie, en de Master of Hearts voor emotionele intelligenties en sociale talenten.

In de stad zijn overal Meesterwerken en Meesterproeven te vinden.

Afstuderen met een scriptie bestaat nog, maar is niet meer de norm. Om een meesterschaptitel te verkrijgen moet je de beheersing van jouw vak tonen, en dat doe je in veel gevallen niet door erover te schrijven of een toets af te leggen maar door het te doen. Door het brood te bakken, het gebouw te maken of de massage te geven.

De burgers van de Meesterlijke Stad voelen zich verbonden met elkaar en de stad.

Deze verbondenheid heeft z’n wortels in de Meesterschapscultuur.

Want omdat iedereen weet wat het betekend om een vak te omarmen en te verdiepen, is er vertrouwen in elkaars kennis en kunde nodig.

Expertise, kennis en kunde worden vertrouwt en burgers hebben intuïtie en oog voor kwaliteit.

Want wanneer je kwaliteit kan beoordelen, krijg je ook gevoel voor hoe de wereld werkt, wie haar maakt en wat iets goed maakt.

Bewoners die ambachtelijk geletterd zijn verwachten dan ook kwaliteit en meesterschap van hun medeburgers, en zullen elkaar aanspreken als men te kort schiet.

Maar het gaat niet alleen om burgers onderling.

Meesters en grootmeesters hebben zich in deze stad georganiseerd in Gildekamers en Vakraden die zich niet alleen bekommeren over de ethiek en ere-codes waaraan beoefenaars zich te houden hebben. Want blind vakmanschap kan immers zaken perfectioneren die schadelijk zijn voor een samenleving.

Daarnaast kunnen ze zich gevraagd en ongevraagd bemoeien met zaken van algemeen belang. Ethiek in het ambacht is van levensbelang.

En hierin deelt het Meesterschap een waarde met de klassieke professies, zoals de arts, notaris en de architect, die ooit aan de wieg stonden van het professionele werkethos.

Hun vak moest namelijk het algemeen belang dienen. De klassieke professies belichamende publieke waarden en verantwoordelijkheden.

To profess – betekend dan ook letterlijk dat je geloofsbelijdenis doet. Een eed aflegt waarin je trouw zweert aan een ethiek. Zoals de eed van Hippocrates.

Kortom.

Wanneer je door de Meesterlijk Stad loopt, voel je verbondenheid en hoe het lokale meesterschap is verweven met de gebouwde omgeving en de haarvaten van de maatschappij.

Het straatmeubilair komt niet uit een catalogus maar heeft een eigen stijl, geschiedenis en verbondenheid met de tradities, stijlfiguren en werkplaatsen in de stad.

En zo is het in iedere meesterlijke stad die je bezoekt, je voelt de eigenheid, lokaliteit en verbondenheid tussen de stenen en de mensen.

Maar het is helaas alweer tijd om terug te gaan. En deze plek achter ons te laten.

Haal nog een keer rustig diep adem,

En kom terug naar het hier en nu.

Doe je ogen maar weer open.

Welkom terug!

Dank voor jullie aandacht.